Klik hier voor:
Jaarverslag 2025
De Koekoek (Cuculus canorus)
Het zal niet meevallen om de Koekoek te zien te krijgen, de vogel is namelijk zeer schuw, horen doen we hem des te beter. Het mannetje roept het bekende “koekoek”. Zijn leefgebied is bos en struikgewas maar ook parken en hoogland. Het vliegbeeld vertoond enige overeenkomst met dat van een Sperwer. Het geeft nog meer verwarring omdat ook de tekening van het verenkleed aan een Sperwer doet denken. De borst heeft bruine dwarsstrepen. Het vrouwtje is bruiner dan het mannetje.
De Koekoek is een trekvogel. Ongeveer in april komt hij terug om in juni weer te vertrekken. Na juli is de Koekoek vertrokken en horen we zijn roep niet meer. De Sperwer blijft en misschien ligt hierin wel de oorzaak van een oud volksgeloof dat de Koekoek in de winter in een Sperwer zou veranderen. Hij leeft van rupsen, een bijzonderheid is dat hij zelfs harige rupsen eet, iets waar de meeste vogels een hekel aan hebben.
Niet iedereen hoort het geroep van de Koekoek in de lente even graag; zijn broedparasitisme wekt gemengde gevoelens op. Een groot aantal soorten zijn slachtoffer van de Koekoek, maar het meest Heggenmussen, Graspiepers en Kleine Karekieten. Een vrouwtje kiest altijd dezelfde soort pleegouders uit voor haar eieren en waarschijnlijk is dat de soort waardoor ze zelf is opgevoed. Haar eieren vertonen vaak een sterke gelijkenis met de eieren van de pleegouders.
Hoewel koekoekseieren groter zijn dan die van de meeste pleegouders zijn ze opmerkelijk klein in verhouding tot de grootte van de Koekoek. Nog een belangrijk gegeven is de kleur van het verhemelte van de jonge vogels. Het verhemelte van de jonge Koekoek is rood en dat van de jonge Heggenmussen ook. Hierdoor zien de pleegouders geen verschil tussen hun eigen jongen en de indringer en voeren ze het pleegkind alsof het hun eigen jong is.
Spoedig na zonsopgang gaat het vrouwtje op zoek naar een geschikt nest; ze kiest er een uit waarin het legsel nog niet compleet is en waarvan de eieren nog niet zijn bebroed. Ze blijft in de buurt op de loer zitten tot ze klaar is om te leggen, wat meestal vroeg in de namiddag van dezelfde dag het geval is. Dan probeert ze, bij voorkeur als de toekomstige pleegouders even weg zijn, zo onopvallend mogelijk op het nest neer te strijken. Nadat ze haar ei in andermans nest heeft gelegd probeert ze dit te verhullen door een ei van de gastouders te verwijderen.
Het koekoekswijfje legt zo wel twintig eieren. Een koekoeksei hoeft maar verbazend kort te worden bebroed, slechts 12-13 dagen en het komt meestal uit als er in het nest van de pleegouders nog eieren liggen of pas uitgekomen jongen.
En nu komt de tragedie: komt het koekoeksjong uit, dan neemt de jonge Koekoek de eieren en indien aanwezig ook de jonge vogels stuk voor stuk op zijn rug tussen de naakte vleugels. Terwijl het koekoeksjong zich met kop en poten omhoog werkt kiepert hij zo alle eieren of jongen over de rand van het nest.
Nu krijgen de pleegouders het druk. De altijd hongerige Koekoek gunt hun geen ogenblik rust. Het koekoeksjong vliegt uit nadat zijn pleegouders zich drie weken uit de naad hebben gewerkt om zijn vraatzucht te bevredigen. Na het uitvliegen wordt hij ook nog gevoerd en wanneer de kleine vogeltjes de snavel van hun ondergeschoven kind niet meer kunnen bereiken moeten ze allerlei capriolen uithalen om hem toch nog te blijven voeren. Men heeft zelfs waargenomen dat de pleegouders op de rug van de Koekoek gaan zitten om hem te voeren.
Veel veronderstellingen zijn gemaakt omtrent het geheime leven van de Koekoek, maar door de huidige stand van de techniek zijn al meerdere filmopnames gemaakt die ons een goed beeld geven van de levenswijze van deze toch wel enigszins “rare” vogel.
Tot volgende keer Jos Wijnen
Foto@Jos Wijnen
Vogelwerkgroep ’t Hökske en het voorjaar 2026.
Veel mensen hebben denk ik weleens van ons gehoord, wij zijn vogelwerkgroep t Hökske. Dat kan zijn via het lezen van tweewekelijkse stukjes in weekblad ’t Klökske in Sevenum of het bezoeken van onze website “Welkom bij vogelwerkgroep het Hökske“. Ook kan het zijn dat u behoort tot het toenemende aantal deelnemers die mee wandelen tijdens de kerst- of paaswandeling.
Voor diegenen die ons nog niet kennen en kleine opsomming van onze activiteiten. Als vogelwerkgroep zijn wij al meer dan 25 jaren actief in de gemeente Horst aan de Maas. Hier houden wij ons bezig met allerlei onderwerpen met betrekking tot vogels. Van het ophangen van nestkasten voor bos-, kerk- en steenuilen en nestkasten voor kleinere vogels. Maar ook doen wij tellingen van watervogels langs de Maas. Of brengen wij het aantal trekvogels, die in het voor- en najaar via de Mariapeel op weg zijn naar overwinter- of broedgebieden. Elk vroege voorjaar beginnen verschillende leden met het in kaart brengen van de broedvogels in verschillende natuurgebieden binnen onze gemeente. Verder verzorgen wij elk jaar de steeds populairder wordende vogelherkenningscursus. Hier brengen wij beginnende vogelaars de basiskennis van de meest voorkomende vogels in Nederland bij. Dit gaat aan de hand van theorielessen maar ook praktijklessen in het veld.
Onze werkgroep houdt zich op veel fronten bezig. Denkt u nu daar wil ik meer van weten of wilt meedoen, dat kan. Neem dan contact met ons op via de website. Hier kunt u ook ons jaarverslag over 2025 vinden, waarin u alle resultaten van ons werk in het veld van het afgelopen jaar vindt.
Foto@Gerard Roes
Knobbelzwanen “nu” een normale verschijning.
Het woord “nu” geeft al aan dat dit in het verleden anders is geweest. Als we teruggaan in de tijd dan blijkt er uit oude geschriften dat er hier reeds in 1300 Knobbelzwanen werden gehouden. Dit was toentertijd alleen voorbehouden aan edellieden. Al vanaf Karel de Grote was het bezit van zwanen voorbehouden aan de koning. Bij wijze van gunst werd dit ook aan edellieden toegestaan. Hiervoor werd een “pluimgraaf” aangesteld die toezicht hield dat deze rechten stipt werden nageleefd. Hij was ook de enige die slagpennen van zwanen mocht verkopen voor schrijfgerei.
Deze zwanen werden gehouden in zogenaamde “Zwanendriften” “Zwanenvlotten” of “Zwanenjachten”. Dit heeft niets met jagen te maken maar het was een zogenaamd “Heerlijk recht” met de nadruk op heer die deze mocht houden. De adel mocht op hun beurt weer derden aanwijzen om voor hen zwanen te houden.
Omstreeks de zestiende eeuw werden zwanen op grote schaal gekweekt voor het vlees en de pennen. De meeste van deze zwanendriften kwamen voor in Zuid-Holland en Friesland. In Mantgum Friesland is tot op heden nog een zwanendrift in gebruik van een oud adellijk geslacht, de Fam. Galema. Het slot “Hoxwier” van deze machtige familie is verdwenen, maar de zwanendrift is er nog steeds. In de jachtwet van 1857 wordt dit recht nog genoemd.
Wilde Knobbelzwanen kwamen, in beperkte mate, hier alleen overwinteren uit noordelijke en oostelijke gebieden. Van broedgevallen in het wild is niets bekend. Sinds eind negentiende eeuw de “Heerlijke rechten” verwaterden gingen ook boeren zwanen houden voor onder anderen het vlees, dat werd toen nog veelvuldig gegeten, maar vooral voor de dons. Deze zwanen waren geleewiekt en liepen vrij in de polder. Als ze ergens broeden werden de jongen ook weer geleewiekt. Iedere boer bracht zijn eigen kenmerken aan door middel van krassen op de snavel en gaatjes of sneetjes in het teenvlies. De tekens stonden geregistreerd in een zogenaamd “Zwanenboek”. Ook hingen er borden in de plaatselijke cafés waarop deze merktekens waren afgebeeld, zodat iedereen zag of iemand zijn eigen zwanen verhandelde.
Nu zijn er twee variëteiten in kleur bij de Knobbelzwaan te onderscheiden. De normale vogels hebben zwarte poten, donkerbruine ogen en grijze dons. In jeugdkleed zijn ze grijs van kleur en worden pas het tweede jaar wit. De andere variant, de zogenaamde “Poolse” zwanen hebben lichte vleeskleurige poten en meer lichtbruin tot blauwgrijze ogen en witte dons. De jongen zijn in jeugdkleed reeds wit. Deze “Poolse” zwaan stamt af van de zwanen die door de boeren gehouden werden i.v.m. de witte dons die meer opbracht. Sinds 1930 hebben voor het eerst niet geleewiekte zwanen in Nederland gebroed. Dit was een uitgezet paar bij Giethoorn. Doordat overwinterende zwanen zich koppelden aan de hier verblijvende zwanen, nam na de oorlog het aantal overzomerende zwanen elk jaar toe. Deze wilde Knobbelzwanen met grijze dons vermengden zich met de zogenaamde “Poolse”. Dit zien we heden ten dage nog als we koppels met jongen zien, soms hebben ze zowel grijze, als witte jongen. In 1979 werden er naast de vogels in de Zwanendrift te Mantgum nog 10 professionele zwanenhouders geregistreerd met elk ongeveer 20 broedparen. Leuk is om te weten dat in die tijd de prijzen van levende Knobbelzwanen varieerde tussen de 12,50 en 20 gulden per stuk. Deze prijzen waren lager dan voorheen. Dus is sinds die tijd het houden van deze zwanen voor handelsdoeleinden snel verdwenen. De meeste ziet men gelukkig in de vrije natuur, zelfs hier in het zuiden. Wil men ze massaal zien dan moet men in de ruitijd naar de randmeren en het Markermeer gaan kijken, daar verblijven ze dan met honderden.
Tot een volgende keer Toon Selten. 
Foto@Geert Custers


